Wikia



De doopsgezinden (of de Algemene Doopsgezinde Sociëteit) ook wel mennisten genoemd, vormen de Nederlandse tak van wat internationaal als de Mennonieten aangeduid worden.

MennoSimons

Menno Simons

Meit (attr) Jan van Leiden

Jan van Leiden Koning der wederdopers ca 1535

Amish On the way to school by Gadjoboy2

Amish kinderen op weg naar school

Mennonieten zijn de volgelingen en geestverwanten van Menno Simons (1496-1561) die naast de bekende kerkhervormers als Luther, Calvijn en Zwingli, in zeker opzicht de enige kerkhervormer van Nederlandse afkomst is. Menno Simons werd na de teloorgang van de commune van wederdopers in Münster (1534-1536, geleid door Jan van Leiden), de spilfiguur en grote inspirator van de (ana)baptistische of wederdopers beweging. Deze beweging werd, ook door de Lutherse Kerk, toen scherp vervolgd en onderdrukt. Menno Simons, geboren in Witmarsum in Friesland, was na 1536 vooral actief in wat nu Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein in Duitsland is.

De naam "doopsgezinden" (vroeger tot zeker 1800 "mennonieten/me(n)nisten" of "dopersen" genoemd) heeft te maken met hun specifieke kijk op de doop. In plaats van kinderen te laten dopen, zoals dat tot nu nog bij de meeste andere kerken gebruikelijk is, kennen zij slechts de (volwassenen)doop op vrijwillige basis. In de doopsgezinde Kerk schrijft diegene die zich willen laten dopen, en daarmee ook als volwaardig lid toetreedt tot het kerkgenootschap, haar of zijn eigen belijdenis[1]. Deze belijdenis is niet gebaseerd op formulieren of leerregels, zoals dat gebruikelijk is in bijvoorbeeld de Protestantse Kerk in Nederland en bij alle soorten gereformeerden.

Een ander belangrijke karaktertrek is dat zij militaire dienst en het dragen van wapens en vroeger ook overheidsdienstneming afwijzen. Dit heeft hen ten tijde van de Republiek in Nederland menigmaal in conflict gebracht met stedelijke en ook stadhouderlijke overheden. Zij weigerden dienst te nemen in en diensten te verlenen aan de stedelijke schutterijen. Echter, als tegendienst bemanden, en/of betaalden zij in veel plaatsen in West- en Noord-Nederland de brandwacht/weer.

Tijdens de Republiek werden de Menisten of Mennonieten, net als bijv. de Joden en katholieken “gedoogd”. Ze waren er wel maar ze mochten hun geloof niet echt zichtbaar uitoefenen. De kerkgebouwen zijn daarom een eind van de rooilijn van een straat of weg af gebouwd. Soms zelfs zijn ze helemaal niet zichtbaar omdat ze achter de huizen middenin een bouwblok staan (bijv. in Grouw, Haarlem, Deventer en Joure). Dat veel menisten in deze tijd stevig rechtzinnig waren blijkt uit de benaming die zij hun kerkgebouwen gaven, nml “Vermaning”. Zij werden door de overheden, misschien ook als reactie op de afwerige menistische opstelling, uitgesloten van veel overheidsfuncties. Ook mochten zij niet lid zijn van de gilden. Veel menisten werkten daarom in de (geld)handel. In de gouden eeuw kwam een grote groep menisten waarschijnlijk daardoor tot grote welvaart. De Vechtstreek boven Utrecht met zijn vele weelderige buitens werd ook wel de "Menistenhemel" genoemd.

Vanaf de 18e eeuw schoven veel menisten wat betreft de orthodoxie steeds meer op naar de vrijzinnige hoek. Misschien bracht de maatschappelijk positie die zij in de Republiek hadden met zich mee dat zij meer open stonden voor op verandering gerichte ideeën. Bij de Bataafse Revolutie in 1795 hadden verhoudingsgewijs veel doopsgezinden als patriot een actieve rol[2]. Door de invoering van het gelijkberechtigd burgerschap werden zij, evenals dus de rooms-katholieken en joden na de revolutie “geëmancipeerd”. In 1806 werden de gilden opgeheven en konden zij dus ook vrij alle beroepen uitoefenen. Wel werd hen het gewoonterecht tot militaire dienstweigering ontzegd.

Ergens in deze tijd van grote maatschappelijke veranderingen besloten veel menisten om zich zelf niet langer meer “menist” of “mennoniet” te noemen maar "doopsgezind" of dopers. Daarmee gaven zij misschien aan dat zij zich minder tot niet meer ge/verbonden voelde aan de door Menno Simons gegeven leefregels. In ieder geval zijn vanaf het midden van de 19e eeuw veel rechtzinnige doopsgezinden overgestapt naar de toen nieuwe Gereformeerde Kerk, waardoor de kerk een nog vrijzinniger karakter kreeg. Tijdens de verzuiling in de eerste helft van de 20e eeuw behoorden ze tot de zuil waar ook de VPRO uit voort kwam. Dit in tegenstelling tot veel buitenlandse geloofsgenoten, bijv. Mennonieten in (ook Zuid-)Amerika (waaronder de zeer conservatieve amish), die door de eeuwen heen “in den vreemde” vast aan hun gewoonten en opvattingen[3] hielden - een gevolg van regelmatige onderdrukking en verdrijving.

Er zijn in Nederland anno 2007 118 doopsgezinde "gemeenten", met 8362 (per 31 december 2007) leden (270 minder dan per eind 2006). Ze zijn vooral te vinden in Friesland, de IJsselsteden, en (Noord-)Holland.

Deze gemeenten worden verhoudingsgewijs veel voorgegaan door vrouwelijke dominees. De doopsgezinde Kerk was de eerste kerk in Nederland die eind 19e eeuw haar predikantenopleiding open stelde voor vrouwen. De eerste vrouwelijke voorganger / predikante in Nederland was derhalve ook een doopsgezinde predikante. Zij heette Anna Zernike en werd voor het eerst beroepen in 1911 in de Friese plaats Bovenknijpe (nu De Knijpe, gemeente Heerenveen).

Samen met de remonstrantse Kerk zegende de doopsgezinde Kerk na de invoering daarvan in 2001 als eersten homohuwelijken in. De doopsgezinden participeren in de Interkerkelijke Omroep Nederland.

Bekende Nederlandse doopsgezindenEdit

Standbeeld Lely Afsluitdijk

Standbeeld Ir Cornelis Lely op de Afsluitdijk

Jan Adriaanszoon Leeghwater (De Rijp, 1575 - Amsterdam, 1650), de man achter vele plannen tot, en de uitvoering van droogmaking van vele polders in west-Nederland (Holland).

De Haarlemse lakenkoopman Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778). Stichter van het Teylers museum in zijn woonplaats.

De schrijver Eduard Douwes Dekker (Multatuli) komt uit een dopers (Amelands/Amsterdams) gezin. Dichter Joost van den Vondel bezocht een tijdlang de doopsgezinde Singelkerk in Amsterdam.

Ir. Cornelis Lely (1854-1929), de man achter de plannen voor de Zuiderzeewerken en 3 maal minister van Waterstaat was doopsgezind.

Tonco Modderman, heer van Oosterbroek (Groningen, 11 januari 1745 - aldaar, 23 april 1802) was advocaat, dichter, politicus, ondernemer en verondersteld medewerker aan de Groninger Raarekiek.

Aan het einde van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw zijn er bijvoorbeeld doopsgezinde politici als de voormalige kamerleden en staatssecretaris en minister Dick Tommel en Annemarie Jorritsma. Oud-defensieminister Roelof Kruisinga is van doopsgezinde komaf en voormalig minister Winnie Sorgdrager komt uit een oud dopers (Amelands/Amsterdams, evenals Douwes Dekker dus) geslacht. Ook SP-kamerlid Krista van Velzen is doopsgezind. Koningin Juliana ging veelvuldig naar de Doopsgezinde Kerk.

VoetnotenEdit

  1. ^  Vermoedelijk wordt hier bedoeld dat deze zelfgeschreven belijdenis in eerste instantie een verwoording van de eigen interpretatie van de geloofsovertuiging is, en níét dat het een motivatie is voor de keuze voor het doen van belijdenis/doop (zoals bij evangelische gemeenten gebruikelijk is)
  2. ^  Onder meer de Nederlandse vrouwelijk literatoren Betje Wolff en Aagje Deken die "De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart" (1766) schreven, waren doopsgezind.
  3. ^  Noord-Amerikaanse Doopsgezinden hebben veelal tijdens WO I en WO II in Europa, en tijdens de Vietnamoorlog, als hospitaalsoldaten gediend.

Externe linksEdit

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.